Infinitiefconcilier
Tegenwoordig deelwoordconciliant
Voltooid deelwoordconcilié

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeconcilie
tuconcilies
il, elle, onconcilie
nousconcilions
vousconciliez
ils, ellesconcilient

Onvoltooid verleden tijd

jeconciliais
tuconciliais
il, elle, onconciliait
nousconciliions
vousconciliiez
ils, ellesconciliaient

Verleden tijd

jeconciliai
tuconcilias
il, elle, onconcilia
nousconciliâmes
vousconciliâtes
ils, ellesconcilièrent

Toekomende tijd

jeconcilierai
tuconcilieras
il, elle, onconciliera
nousconcilierons
vousconcilierez
ils, ellesconcilieront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jeconcilie
que tuconcilies
qu'ilconcilie
que nousconciliions
que vousconciliiez
qu'ilsconcilient

Onvoltooid verleden tijd

que jeconciliasse
que tuconciliasses
qu'ilconciliât
que nousconciliassions
que vousconciliassiez
qu'ilsconciliassent

Voorwaardelijke wijs

jeconcilierais
tuconcilierais
il, elle, onconcilierait
nousconcilierions
vousconcilieriez
ils, ellesconcilieraient

Gebiedende wijs

(tu)concilie
(nous)concilions
(vous)conciliez

Vertalingen

Catalaans
conciliar
Engels
to conciliate; to reconcile
Spaans
conciliar
Italiaans
conciliare
Portugees
conciliar