Infinitiefvacciner
Tegenwoordig deelwoordvaccinant
Voltooid deelwoordvacciné

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jevaccine
tuvaccines
il, elle, onvaccine
nousvaccinons
vousvaccinez
ils, ellesvaccinent

Onvoltooid verleden tijd

jevaccinais
tuvaccinais
il, elle, onvaccinait
nousvaccinions
vousvacciniez
ils, ellesvaccinaient

Verleden tijd

jevaccinai
tuvaccinas
il, elle, onvaccina
nousvaccinâmes
vousvaccinâtes
ils, ellesvaccinèrent

Toekomende tijd

jevaccinerai
tuvaccineras
il, elle, onvaccinera
nousvaccinerons
vousvaccinerez
ils, ellesvaccineront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jevaccine
que tuvaccines
qu'ilvaccine
que nousvaccinions
que vousvacciniez
qu'ilsvaccinent

Onvoltooid verleden tijd

que jevaccinasse
que tuvaccinasses
qu'ilvaccinât
que nousvaccinassions
que vousvaccinassiez
qu'ilsvaccinassent

Voorwaardelijke wijs

jevaccinerais
tuvaccinerais
il, elle, onvaccinerait
nousvaccinerions
vousvaccineriez
ils, ellesvaccineraient

Gebiedende wijs

(tu)vaccine
(nous)vaccinons
(vous)vaccinez

Vertalingen

Catalaans
vaccinar; vacunar
Engels
to vaccinate
Spaans
vacunar
Italiaans
vaccinare
Nederlands
inenten; vaccineren
Portugees
vacinar