Infinitiefmarchander
Tegenwoordig deelwoordmarchandant
Voltooid deelwoordmarchandé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jemarchande
tumarchandes
il, elle, onmarchande
nousmarchandons
vousmarchandez
ils, ellesmarchandent

Onvoltooid verleden tijd

jemarchandais
tumarchandais
il, elle, onmarchandait
nousmarchandions
vousmarchandiez
ils, ellesmarchandaient

Verleden tijd

jemarchandai
tumarchandas
il, elle, onmarchanda
nousmarchandâmes
vousmarchandâtes
ils, ellesmarchandèrent

Toekomende tijd

jemarchanderai
tumarchanderas
il, elle, onmarchandera
nousmarchanderons
vousmarchanderez
ils, ellesmarchanderont

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jemarchande
que tumarchandes
qu'ilmarchande
que nousmarchandions
que vousmarchandiez
qu'ilsmarchandent

Onvoltooid verleden tijd

que jemarchandasse
que tumarchandasses
qu'ilmarchandât
que nousmarchandassions
que vousmarchandassiez
qu'ilsmarchandassent

Voorwaardelijke wijs

jemarchanderais
tumarchanderais
il, elle, onmarchanderait
nousmarchanderions
vousmarchanderiez
ils, ellesmarchanderaient

Gebiedende wijs

(tu)marchande
(nous)marchandons
(vous)marchandez

Vertalingen

Catalaans
regatejar
Engels
to bargain; to haggle
Spaans
regatear
Nederlands
afdingen; marchanderen