Infinitiefcourir
Tegenwoordig deelwoordcourant
Voltooid deelwoordcouru

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jecours
tucours
il, elle, oncourt
nouscourons
vouscourez
ils, ellescourent

Onvoltooid verleden tijd

jecourais
tucourais
il, elle, oncourait
nouscourions
vouscouriez
ils, ellescouraient

Verleden tijd

jecourus
tucourus
il, elle, oncourut
nouscourûmes
vouscourûtes
ils, ellescoururent

Toekomende tijd

jecourrai
tucourras
il, elle, oncourra
nouscourrons
vouscourrez
ils, ellescourront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jecoure
que tucoures
qu'ilcoure
que nouscourions
que vouscouriez
qu'ilscourent

Onvoltooid verleden tijd

que jecourusse
que tucourusses
qu'ilcourût
que nouscourussions
que vouscourussiez
qu'ilscourussent

Voorwaardelijke wijs

jecourrais
tucourrais
il, elle, oncourrait
nouscourrions
vouscourriez
ils, ellescourraient

Gebiedende wijs

(tu)cours
(nous)courons
(vous)courez

Vertalingen

Catalaans
córrer
Engels
to race; to run; to speed; to sprint
Spaans
correr
Italiaans
correre
Nederlands
rennen; spoeden; sprinten
Portugees
correr