Infinitiefbrancher
Tegenwoordig deelwoordbranchant
Voltooid deelwoordbranché

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jebranche
tubranches
il, elle, onbranche
nousbranchons
vousbranchez
ils, ellesbranchent

Onvoltooid verleden tijd

jebranchais
tubranchais
il, elle, onbranchait
nousbranchions
vousbranchiez
ils, ellesbranchaient

Verleden tijd

jebranchai
tubranchas
il, elle, onbrancha
nousbranchâmes
vousbranchâtes
ils, ellesbranchèrent

Toekomende tijd

jebrancherai
tubrancheras
il, elle, onbranchera
nousbrancherons
vousbrancherez
ils, ellesbrancheront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jebranche
que tubranches
qu'ilbranche
que nousbranchions
que vousbranchiez
qu'ilsbranchent

Onvoltooid verleden tijd

que jebranchasse
que tubranchasses
qu'ilbranchât
que nousbranchassions
que vousbranchassiez
qu'ilsbranchassent

Voorwaardelijke wijs

jebrancherais
tubrancherais
il, elle, onbrancherait
nousbrancherions
vousbrancheriez
ils, ellesbrancheraient

Gebiedende wijs

(tu)branche
(nous)branchons
(vous)branchez

Vertalingen

Catalaans
connectar; endollar
Engels
to connect; to plug in
Spaans
conectar; enchufar; molar
Italiaans
collegare
Nederlands
aandoen; aandraaien
Portugees
conectar