Infinitiefcumuler
Tegenwoordig deelwoordcumulant
Voltooid deelwoordcumulé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jecumule
tucumules
il, elle, oncumule
nouscumulons
vouscumulez
ils, ellescumulent

Onvoltooid verleden tijd

jecumulais
tucumulais
il, elle, oncumulait
nouscumulions
vouscumuliez
ils, ellescumulaient

Verleden tijd

jecumulai
tucumulas
il, elle, oncumula
nouscumulâmes
vouscumulâtes
ils, ellescumulèrent

Toekomende tijd

jecumulerai
tucumuleras
il, elle, oncumulera
nouscumulerons
vouscumulerez
ils, ellescumuleront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jecumule
que tucumules
qu'ilcumule
que nouscumulions
que vouscumuliez
qu'ilscumulent

Onvoltooid verleden tijd

que jecumulasse
que tucumulasses
qu'ilcumulât
que nouscumulassions
que vouscumulassiez
qu'ilscumulassent

Voorwaardelijke wijs

jecumulerais
tucumulerais
il, elle, oncumulerait
nouscumulerions
vouscumuleriez
ils, ellescumuleraient

Gebiedende wijs

(tu)cumule
(nous)cumulons
(vous)cumulez

Vertalingen

Catalaans
acumular
Engels
to accumulate
Spaans
acumular; cumular
Portugees
cumular