Infinitiefverbaliser
Tegenwoordig deelwoordverbalisant
Voltooid deelwoordverbalisé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeverbalise
tuverbalises
il, elle, onverbalise
nousverbalisons
vousverbalisez
ils, ellesverbalisent

Onvoltooid verleden tijd

jeverbalisais
tuverbalisais
il, elle, onverbalisait
nousverbalisions
vousverbalisiez
ils, ellesverbalisaient

Verleden tijd

jeverbalisai
tuverbalisas
il, elle, onverbalisa
nousverbalisâmes
vousverbalisâtes
ils, ellesverbalisèrent

Toekomende tijd

jeverbaliserai
tuverbaliseras
il, elle, onverbalisera
nousverbaliserons
vousverbaliserez
ils, ellesverbaliseront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jeverbalise
que tuverbalises
qu'ilverbalise
que nousverbalisions
que vousverbalisiez
qu'ilsverbalisent

Onvoltooid verleden tijd

que jeverbalisasse
que tuverbalisasses
qu'ilverbalisât
que nousverbalisassions
que vousverbalisassiez
qu'ilsverbalisassent

Voorwaardelijke wijs

jeverbaliserais
tuverbaliserais
il, elle, onverbaliserait
nousverbaliserions
vousverbaliseriez
ils, ellesverbaliseraient

Gebiedende wijs

(tu)verbalise
(nous)verbalisons
(vous)verbalisez

Vertalingen

Catalaans
multar
Duits
verbalisieren
Engels
to fine; to verbalise
Spaans
multar
Italiaans
multare
Portugees
multar