Infinitiefclamer
Tegenwoordig deelwoordclamant
Voltooid deelwoordclamé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeclame
tuclames
il, elle, onclame
nousclamons
vousclamez
ils, ellesclament

Onvoltooid verleden tijd

jeclamais
tuclamais
il, elle, onclamait
nousclamions
vousclamiez
ils, ellesclamaient

Verleden tijd

jeclamai
tuclamas
il, elle, onclama
nousclamâmes
vousclamâtes
ils, ellesclamèrent

Toekomende tijd

jeclamerai
tuclameras
il, elle, onclamera
nousclamerons
vousclamerez
ils, ellesclameront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jeclame
que tuclames
qu'ilclame
que nousclamions
que vousclamiez
qu'ilsclament

Onvoltooid verleden tijd

que jeclamasse
que tuclamasses
qu'ilclamât
que nousclamassions
que vousclamassiez
qu'ilsclamassent

Voorwaardelijke wijs

jeclamerais
tuclamerais
il, elle, onclamerait
nousclamerions
vousclameriez
ils, ellesclameraient

Gebiedende wijs

(tu)clame
(nous)clamons
(vous)clamez

Vertalingen

Catalaans
clamar
Spaans
aullar; clamar; quejar
Nederlands
blèren; brullen
Portugees
berrar