Infinitiefproclamer
Tegenwoordig deelwoordproclamant
Voltooid deelwoordproclamé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeproclame
tuproclames
il, elle, onproclame
nousproclamons
vousproclamez
ils, ellesproclament

Onvoltooid verleden tijd

jeproclamais
tuproclamais
il, elle, onproclamait
nousproclamions
vousproclamiez
ils, ellesproclamaient

Verleden tijd

jeproclamai
tuproclamas
il, elle, onproclama
nousproclamâmes
vousproclamâtes
ils, ellesproclamèrent

Toekomende tijd

jeproclamerai
tuproclameras
il, elle, onproclamera
nousproclamerons
vousproclamerez
ils, ellesproclameront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jeproclame
que tuproclames
qu'ilproclame
que nousproclamions
que vousproclamiez
qu'ilsproclament

Onvoltooid verleden tijd

que jeproclamasse
que tuproclamasses
qu'ilproclamât
que nousproclamassions
que vousproclamassiez
qu'ilsproclamassent

Voorwaardelijke wijs

jeproclamerais
tuproclamerais
il, elle, onproclamerait
nousproclamerions
vousproclameriez
ils, ellesproclameraient

Gebiedende wijs

(tu)proclame
(nous)proclamons
(vous)proclamez

Vertalingen

Catalaans
proclamar
Duits
proklamieren; verkünden
Engels
to announce; to proclaim
Spaans
proclamar
Italiaans
proclamare
Nederlands
aankondigen; verkondigen
Portugees
proclamar