Infinitiefconjecturer
Tegenwoordig deelwoordconjecturant
Voltooid deelwoordconjecturé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeconjecture
tuconjectures
il, elle, onconjecture
nousconjecturons
vousconjecturez
ils, ellesconjecturent

Onvoltooid verleden tijd

jeconjecturais
tuconjecturais
il, elle, onconjecturait
nousconjecturions
vousconjecturiez
ils, ellesconjecturaient

Verleden tijd

jeconjecturai
tuconjecturas
il, elle, onconjectura
nousconjecturâmes
vousconjecturâtes
ils, ellesconjecturèrent

Toekomende tijd

jeconjecturerai
tuconjectureras
il, elle, onconjecturera
nousconjecturerons
vousconjecturerez
ils, ellesconjectureront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jeconjecture
que tuconjectures
qu'ilconjecture
que nousconjecturions
que vousconjecturiez
qu'ilsconjecturent

Onvoltooid verleden tijd

que jeconjecturasse
que tuconjecturasses
qu'ilconjecturât
que nousconjecturassions
que vousconjecturassiez
qu'ilsconjecturassent

Voorwaardelijke wijs

jeconjecturerais
tuconjecturerais
il, elle, onconjecturerait
nousconjecturerions
vousconjectureriez
ils, ellesconjectureraient

Gebiedende wijs

(tu)conjecture
(nous)conjecturons
(vous)conjecturez

Vertalingen

Catalaans
conjecturar
Duits
mutmaßen; vermuten
Engels
to conjecture; to speculate
Spaans
conjeturar
Italiaans
congetturare
Nederlands
gissen; vermoeden
Portugees
conjecturar; conjeturar