Infinitiefblaguer
Tegenwoordig deelwoordblaguant
Voltooid deelwoordblagué

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeblague
tublagues
il, elle, onblague
nousblaguons
vousblaguez
ils, ellesblaguent

Onvoltooid verleden tijd

jeblaguais
tublaguais
il, elle, onblaguait
nousblaguions
vousblaguiez
ils, ellesblaguaient

Verleden tijd

jeblaguai
tublaguas
il, elle, onblagua
nousblaguâmes
vousblaguâtes
ils, ellesblaguèrent

Toekomende tijd

jeblaguerai
tublagueras
il, elle, onblaguera
nousblaguerons
vousblaguerez
ils, ellesblagueront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que jeblague
que tublagues
qu'ilblague
que nousblaguions
que vousblaguiez
qu'ilsblaguent

Onvoltooid verleden tijd

que jeblaguasse
que tublaguasses
qu'ilblaguât
que nousblaguassions
que vousblaguassiez
qu'ilsblaguassent

Voorwaardelijke wijs

jeblaguerais
tublaguerais
il, elle, onblaguerait
nousblaguerions
vousblagueriez
ils, ellesblagueraient

Gebiedende wijs

(tu)blague
(nous)blaguons
(vous)blaguez

Vertalingen

Catalaans
bromejar
Engels
to joke
Spaans
bromear