Infinitiefembrouiller
Tegenwoordig deelwoordembrouillant
Voltooid deelwoordembrouillé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

j'embrouille
tuembrouilles
il, elle, onembrouille
nousembrouillons
vousembrouillez
ils, ellesembrouillent

Onvoltooid verleden tijd

j'embrouillais
tuembrouillais
il, elle, onembrouillait
nousembrouillions
vousembrouilliez
ils, ellesembrouillaient

Verleden tijd

j'embrouillai
tuembrouillas
il, elle, onembrouilla
nousembrouillâmes
vousembrouillâtes
ils, ellesembrouillèrent

Toekomende tijd

j'embrouillerai
tuembrouilleras
il, elle, onembrouillera
nousembrouillerons
vousembrouillerez
ils, ellesembrouilleront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

que j'embrouille
que tuembrouilles
qu'ilembrouille
que nousembrouillions
que vousembrouilliez
qu'ilsembrouillent

Onvoltooid verleden tijd

que j'embrouillasse
que tuembrouillasses
qu'ilembrouillât
que nousembrouillassions
que vousembrouillassiez
qu'ilsembrouillassent

Voorwaardelijke wijs

j'embrouillerais
tuembrouillerais
il, elle, onembrouillerait
nousembrouillerions
vousembrouilleriez
ils, ellesembrouilleraient

Gebiedende wijs

(tu)embrouille
(nous)embrouillons
(vous)embrouillez

Vertalingen

Catalaans
embolicar; embullar; enredar
Engels
to bedevil; to confuse
Spaans
confundir; embrollar; enredar
Portugees
embrulhar; enredar